zaterdag 20 februari 2016

P.J.M. Aalberse -- 20 februari 1918

Piet Aalberse (1871-1948) was een Nederlandse katholieke politicus. Hij hield van 1891-1947 een dagboek bij.

dinsdag 19 februari 1918
Gisterenavond is Gukie thuis gekomen. Hoe zagen wij op tegen dat oogenblik … Maar nu ze er is, geeft ’t toch een gevoel van bevrediging. Ze ligt in den salon, als een bruidje in bloemen, als slapend.

Och, onze kleine Joke is ’t verstandigst van allen. Ze zei gisteren: ‘Wat huilen jelui toch. Guusje is goed af, die speelt nu met Onze Lieve Heertje en de andere engeltjes; daar mag ze nu mee wippen en schommelen. Wat zal ’t vreemd voor haar zijn dat ze nu vliegen kan. Moet ze dat niet eerst nog leeren? Want dat heeft ze nog nooit gedaan.’

De kleinen zijn heelemaal niet bang van Gukie; ze willen telkens weer eens gaan kijken. Jokie vroeg of ze vanmiddag bij haar mocht gaan eten, want ze ligt zoo alleen …

Liesje houdt zich gelukkig goed. Nu de slag gevallen is, is ze vol berusting in Gods heilige wil. Alleen de herdenking aan het lijden en de pijnen der laatste dagen stemmen haar telkens weer droevig. Ik hoor ook nog steeds haar hijgend [stemmetje], woord voor woord de soms lange zinnen zeggende, in mijn ooren. Vooral in den nanacht, als we wakker komen, en alles zoo stil en donker is, zien we haar nog weer voor ons in haar bedje en hooren haar praten en zacht klagen over haar pijn …

O wat een droeve dagen hebben we doorgemaakt. Dan morgen nog haar begraven, als ze, nu voor ’t laatst, ons huis verlaat. Maar mogen wij klagen? Zij is gelukkig, een engel van onschuld: ‘ons ijverig Guusje’ noemden we haar altijd, want als Martha was zij altijd bezig. Nu heeft ze met Maria het beste deel verkozen, nu zingt zij aan de voeten van het Lam …

Morgen, den middelsten der zeven woensdagen voor St. Josef, die we voor haar herstel gezamenlijk hielden, wordt ze nu begraven, weggenomen midden uit onze bloeiende ruiker van acht lieve kinderen, nu de liefste van allen, maar die bidt voor ons in den hemel.


woensdag 20 februari 1918
Vandaag is onze lieve Guusje begraven. Wat een droeve dag. Alle vorige dagen had de zon geschenen. Vandaag was ’t donker en somber was ’t in huis achter de dichte gordijnen. En donker en somber was ’t in ons hart.

Ze lag nog zoo mooi in haar kistje, een slapend bruidje, in de vele bloemen, die gekomen waren.

Vanmorgen gingen we allen naar de kerk. Om half acht werd er voor haar een H. Mis gelezen. Hoe hadden we de drie vorige woensdagen om St. Josefs voorspraak gebeden voor haar herstel. Thans … och, voor haar behoefden we niet meer te bidden, een engeltje in het hemelrijk. Ik voel ’t als een zwakheid dat wij, die haar toch onzegbaar en onbegrijpelijk gelukkig weten, toch zoo bedroefd zijn. Onze Lieve Heer zal ’t ons wel niet al te zwaar willen aanrekenen.

Al de kindertjes van haar klas gingen ook ter Heilige Tafel. Gisteren waren ze ook allen bij haar geweest en brachten een gezamenlijk bloemstuk ‘voor onze lieve Guusje’ mee. ’t Was treffend die kleinen met ernstige gezichtjes rondom haar lijkje te zien knielen, een rozenhoedje biddend, dat een der vergezellende zusters voorbad. Tenslotte zei de zuster: nu nog één wees-gegroetje om door de voorbede van Guusje te verkrijgen dat we allen even braaf mogen zijn als zij en eens even heilig mogen sterven …

Braaf, dat was zij. De jaren, dat zij schoolgegaan had, hadden er op haar maandbriefjes nooit anders dan vijfjes gestaan. Ze was der zusters lieveling geweest, in elke klas waarin zij zat. En ook in huis. Zij was een lief kind, dat ons nooit eenige moeite heeft gegeven. Ik kan mij niet herinneren, dat ze ooit ook maar de geringste straf van mij heeft gehad. En altijd bezig, liefst met huiselijk werk.

En nu, op dezen zonloozen dag is dit zonnetje van ons huis voor altijd ondergegaan. Neen, neen, zij schijnt hoog boven ons uit in ’t gouden hemelrijk! Guusje, bid voor ons allen, vooral voor moeder en vader, om kracht en onderwerping.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen