maandag 8 december 2014

Adriaan van Dis -- 9 december 1996

Adriaan van Dis (1946) is een Nederlandse schrijver. In 1996 hield hij op verzoek van NRC Handelsblad een 'Hollands Dagboek' bij.

Maandag 9, dinsdag 10 december
De dagen en nachten klonteren door elkaar. Een paar uur terug uit Milaan (voor de lancering van Le Dune delle Indie) en meteen slordig gepakt naar Jakarta. Voor de eerste keer naar het land van mijn ontvangenis. De gezagvoerder nodigt me uit de landing in de cockpit mee te maken. In de buik van mijn moeder de kolonie verlatend, als een vogel de vrije republiek binnengevlogen.
We vliegen boven Straat Soenda. De haven van Jakarta in zicht, waar de gezagvoerder als kind nog met zijn vader heeft gezeild en mijn vader als krijgsgevangene naar de Pakan Baroe spoorweg op Sumatra is weggevoerd. Onder ons krioelen honderden vissersbootjes.
Heden en verleden zullen de komende weken om het beste plaatsje vechten: de foto's uit het Indische familiealbum tegen de beelden van vandaag, de smaken van de rijsttafel naast de etentjes die wachten. Morgenavond zal ik een lezing houden voor het Willem Walraven Genootschap. Onderwerp: land van horen zeggen. Duizenden zinnen schieten door mijn hoofd maar ik zet er niet een op papier. Het moet direct van het hart uit de mond - ik heb er al jaren van gedroomd dit verhaal in Indonesië te vertellen. Marcus en Edwin, de Nieuwzeelandse neven van mijn gastheer Erik Hammerstein, wachten mij bij het vliegveld op. In de auto leren ze mij de eerste zinnetjes Indonesisch.
Op de veranda eten (makanannya énak sekali) en Bintangbier. Ik overhandig de banden van Bernie IJdis' documentaire over De Grote Postweg, met de Indonesische schrijver Pramoedya Ananta Toer in de hoofdrol. Erik zal binnenkort een avond organiseren om deze mooie film ook aan een groep Indonesiërs te tonen.
Op het nachtkastje in het bijgebouw ligt Bahasa Indonesia, praktisch leerboek voor beginners. Stille hint. Ik val meteen in slaap, vijf minuten later schrik ik wakker van een klap in mijn gezicht. Enorme dreun. Vijf roodwitte vingers tintelen op mijn wang. Ik was de pijn weg. Daarna diepe slaap.

Woensdag
Erik wil me naar Bogor ('s lands plantentuin) rijden. Daar ben ik veel te zenuwachtig voor. Ik wil me geestelijk voorbereiden op de lezing van vanavond. Hij zegt: “Als je een dagboek moet schrijven, moet je wel iets meemaken.” “Maar er gebeurt al zoveel in mijn slaap”, zeg ik. Ik vertel over de klap met de vlakke hand precies zoals mijn vader ze uitdeelde. “Oh”, zegt Erik, “dat is de geest uit het bijgebouw. De bedienden durven er in het donker niet binnen.” Ik ben weer klein. Stille kracht.
Lezing in het Erasmushuis. Zo nerveus was ik nog nooit. Volle zaal. Half Indonesiërs, half Nederlanders. Praat 70 minuten; niemand loopt weg. Veel vragen van Indonesische kant. Vooral van jongeren die in hun familie nog een druppel Hollands bloed hebben. “Waar hoor ik bij?” Ze hebben behoefte aan duidelijkheid. Getuigenissen van Indonesische (oud)studenten over hun pijnlijke ervaringen in Nederland. Ik roep op tot totale vermenging. Allemaal met elkaar naar bed. Zelf doe ik er natuurlijk niet aan mee. Te moe. Drankjes tot kwart over twee.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen