zondag 23 juli 2017

Salvador Dali -- 23 juli 1952

• Niet gehinderd door valse bescheidenheid, zoals de wereld dat van hem gewend was, schetst de Spaanse schilder Salvador Dali (1904-1989) in de dagboekfragmenten in Mijn leven als genie (vertaling Gerrit Komrij) een zelfportret met surrealistische trekjes.

23 juli 1952
Drieduizend olifantsschedels!
Een Franse kolonel komt in de schemering bij mij op bezoek. Wanneer het gesprek op de kwestie van de schedels van olifanten komt, zeg ik tegen hem: 'Ik heb er al vijf!'
'Waarom zoveel olifantsschedels?' roept hij uit.
'Ik heb er drieduizend nodig. Wat dat betreft, ik zal ze krijgen ook! Een vriend van mij, een maharadja, is van plan, hoop ik, me een scheepslading toe te sturen. De vissers zullen ze hier komen uitladen, op het kleine havenhoofd. Ik zal hun opdragen ze hier en daar te verspreiden over de planetaire geologie van Port Lligat.'
'Dat zal prachtig zijn, dat is Dantesk,' roept mijn kolonel.
'In de eerste plaats is dat 't allergeschiktste. Je kunt in dit landschap niets planten zonder het te bederven. Vooral sparren moeten er niet staan. Het effect zou afgrijselijk zijn. Olifantsschedels zijn werkelijk het allerbeste.'

Cesare Pavese -- 22 juli 1940

Cesare Pavese (1908-1950) was een Italiaanse schrijver. In 2003 verscheen Leven als ambacht, met daarin dagboeken en brieven. Vertaling: Anton Haakman.

22 juli
Dromen dat men, uit gevangenis of ballingschap, terugkeert in zijn eigen rijke, vorstelijke huis met salons en trappen en dat men er kennissen van zijn familie aantreft aan wie men wordt voorgesteld; en met zeer grote nieuwsgierigheid wachten tot vader en moeder ten tonele verschijnen, om te zien hoe ze zijn, wat voor types men voor je heeft uitgekozen — weer een geval van een droom die is gemaakt als een roman zonder dat men weet hoe hij zal aflopen, dus waar lezer en hoofdpersoon samenvallen.

De droom is een bouwsel van het intellect waar de bouwer aan meewerkt zonder te weten hoe het zal aflopen.

23 juli
Een andere merkwaardige eigenschap van dromen is dat men ze — tenzij men ze onmiddellijk en met veel inspanning aangrijpt, recapituleert en opnieuw beleeft — zich niet herinnert. Een droom is nog minder ons eigendom dan een verhaal dat door anderen is gemaakt, want nooit zijn we tijdens het luisteren zo passief als wanneer we dromen. Toch is het boven alle twijfel verheven dat wij de droom zelf scheppen. Scheppen zonder zich ervan bewust te zijn, dat is het vreemde van de droom.

donderdag 20 juli 2017

Nic van Bruggen -- 21 juli 1974

Nic van Bruggen (1938-1991) was een Belgische dichter. Het fragment is afkomstig uit zijn Uit het Dagboek van een Pink Poet.

Misschien is het daar elk jaar net zo, dacht ik. Hoewel niet, want zo had men mij al wekenlang verteld, deze zomer - die van 1974 - was een heel uitzonderlijk milde. Er waren geen moessons geweest, en dat scheelt een pak naar het schijnt. Ik was Shiva en de zijnen dus dankbaar.
Ook daar, in het alkoholvrije Madras, is 21 juli onze nationale feestdag. Aldus stond ik die avond met een glas koele champagne in de hand (de wijze Oshaka moet geweten hebben hoe ik naar whisky on the rocks verlangde) op het één-verdieping-hoog terras van ons konsulaat. Met nog drie andere Belgen, evenzoveel Indiërs, een vlotte zeur van de Alliance Française en een mentaal kreupele die tot de British Council scheen te behoren, plus plusminus in dezelfde orde enkele al dan niet autochtone dames. De konversatie leed pijnlijk aan een ongetwijfeld jarenoude inteelt.
Om en nabij klokke tien werd een wat overjaarse 78-toeren, en feestelijk krakende Brabançonne afgespeeld, die iedereen tot gesteven stilte en borst omhoog inspireerde en mij — dit tafereel alleen al — tot een nauwelijks maar suksesrijk bemeesterde lachkramp, waarna een heildronk op het vaderland ten sein dat alles weer mocht. Weshalve ik (in het thuisland waren de eerste oefenwedstrijden al begonnen) na mijn gesprek (aan de hand van de lichtgewicht CD-Le Soir) met de konsul-honorair over de kansen van RWDM en Beerschot, mij overgaf aan de geneugten van de tropische zomer, met aan de einder het luid aanspringend getij van de Golf van Bengalen,
Eerder op de avond, net voor het koud buffet, had ik op de tuinmuur een kameleon gezien. Vriendelijk als een kameleon met bolle kaken zeggend: ik ben er niet. Nu hoorde ik nog wat scherpe nageluiden van eekhoorns, en op de terraspilaren bliksemden de hagedissen achter hun prooi of waan aan. Beneden rook de Cum nogal kwalijk, zoals elke rivier in elke Indische stad. En dan plots — zoals altijd en overal — krijg je een enorme behoefte haar in je armen te nemen en te zoenen en meteen mee naar het bed-onder-de-fan te pakken, praat (met de charmante zeur) over een dansvoorstelling. Vanop het terras zie ik de hoeklantaarn die een straatnaambordje belicht: Spurtank Road en hetzelfde in het Tamil, met daaronder de van staatswege gehonoreerde affiche 'Fervent kissing can blow the boy and girl far away'.
En drie dagen later, in een stoffige, vooroorlogse Leyland bus (moe zijn we) op weg naar Mahabalipuram, slaapt zij in mijn arm. Waar de bus stopt, en zij mangoos koopt, lopen twee mannen achter een geit aan en staat een jong meisje, naar ons kijkend, bloedstollend mooi en verlegen te zijn. Zo dadelijk komen de bedelaars die mij 'Sir' en soms nog 'Master' noemen. Boven op de rots voert men, op het middaguur, de arenden, Alles is heilig hier, of bijna.

woensdag 19 juli 2017

Frida Vogels -- 20 juli 1965

Frida Vogels (1930) is een Nederlandse schrijfster. Haar door kritiek en publiek gewaardeerde dagboeken 1954-1971 zijn gepubliceerd in 8 delen.

17 juli — Ik denk met verbazing terug aan de kleren die ik droeg toen ik omstreeks twintig was. Een felgroene jurk met flappen aan de hals. Een zomerjurk met schouderbandjes en daaroverheen een bolero'tje, wit met rode en blauwe bloemen. Een grijze rok met gele en rode Schotse ruiten. Een rieten halsbandje met rood fluweel en zwarte kralen zoals Liesje de Vita. Witte open zomerschoenen zoals Marian. Een bol rieten tasje zoals Annet. Een koralen armband, een zilveren armband, een koralen kettinkje. Daar liep ik in rond en vond het natuurlijk, voorzover je dat woord in mijn geval kunt gebruiken. Waarschijnlijker is dat ik me ermee dacht te camoufleren.
Nu grijze rokken, witte of blauwe blouses, grijze of donkerblauwe vesten of truien, en geen tasje meer. Daarvan kun je tot op zekere hoogte zeggen dat ik me ermee denk te afficheren.

20 juli- Gisteren een poesje gevonden op piazza Minghetti. Mager en vuil, met loopogen en rode verf aan zijn staart. Gisteren was het een monstertje, vooral toen hij zijn eerste schoteltje melk gedronken had en er een dikke buik onder zijn magere ribbenkast hing. Vandaag, na één nacht, ziet hij er al veel beter uit, zijn vacht is zachter en glanzender geworden. Dit is het seizoen waarin de mensen met vakantie gaan en hun dieren op straat deponeren.

★ Dea stuurt me een boekje, Taccuino somalo. Ze heeft me dat vroeger, in de tijd dat ze met de Somaliërs omging en Aimé Césaire vertaalde, eens geleend; ik heb het toen meer dan een jaar in de kast gehad. Ik geloof dat het niet van haar was, dat ze het zelf ook geleend had. Het kan dus zijn dat ze zich vergist en het me stuurt in de mening dat het van mij is. Of ze wil het me, om een reden die ik dan niet begrijp, cadeau doen. Het adres is niet door Dea zelfgeschreven. Kortom een mysterieus geheel, waar wel een banale verklaring voor zal zijn.

21 juli — Dat boekje van Dea maakt me ongemakkelijk. Ik voel me schuldig tegenover haar. Ik heb haar verraden, in de zin dat ze verwachtingen van me had die ik niet heb waargemaakt. Dat ik dat niet gedaan heb, is juist, want dat kon ik onmogelijk. Het verraad zit erin dat ik zulke verwachtingen had gewekt.
Ik veronderstel nu dat Teodoro het me buiten Dea om heeft gestuurd, in de mening dat het van mij is en van mening dat elk spoor van mij uit zijn huis moet verdwijnen.

dinsdag 18 juli 2017

Jan Wolkers -- 19 juli 1971

• Jan Wolkers (1925-2007) was een Nederlandse schrijver. In 1971 verbleef hij een week op het eiland Rottumerplaat. Van dat verblijf hield hij een dagboek bij.

Maandag 19 juli
Om 8 uur 62° Fahrenheit 17° Celsius. Om tien voor tien kwamen er twee straaljagers heel laag precies over de tent. Ze kwamen van het land. Ik hoorde ze niet maar zag ze ineens uit het niets opdoemen. Uit een kleurloze werveling. Net zoals de Arabier op de kameel uit het begin van Lawrence of Arabia. Toen denderde het geluid de helse machines achterna. In de verte vlogen vogelzwermen op alsof de modder achter ze opspatte. Mijn scholekster, die ik net buiten in een doos in de zon had gezet zodat hij nog wat schreeuwcontact met zijn ouders kon onderhouden, schrok zich bijna een tweede gebroken poot. Toen verdwenen de vogels weer op de kleibanken. Een schroeilucht daalde neer.

Toen vanmorgen om zeven uur de wekker afliep werd ik met een dof gevoel in mijn hoofd wakker. Ik moest gedroomd hebben maar kon me niet meer herinneren wat. Ik had onrustig geslapen. De binnenslaapzak van wit katoen zat helemaal in elkaar gedraaid en was van boven gescheurd. Het was benauwd in de tent. Na de wandeling van gisteravond had ik hem dichtgedaan. Dat wist ik niet meer. En ook niet dat ik het grote mes, dat op een Hitier-jugendmes lijkt, al klaar had gelegd voor de operatie van vandaag. Na de ochtendgymnastiek tussen de van de nacht vochtige planten voelde ik me een stuk beter. In de bak, waar ik gisteren garnalen in heb gekookt en die ik naast de tent op een ouwe balk in de week had gezet dreven allemaal kleine goudstofkleurige motjes. Tussen de plooien van mijn handdoek die aan de lijn te drogen hing zaten tientallen oorkruipers. Het leek wel of ze uit de lucht waren komen vallen, maar ik wist dat ze er een voor een langs het lijntje naar toe gekropen moesten zijn.

De Waddenzee is dodelijk stil. Als je het duin op klimt hoor je op de top ineens het pittige ruisen van de branding van de Noordzee. De koelte ervan komt je tegemoet. Maar in de diepte is het doodstil. Die enkele duinenrij houdt alles tegen. Komt de Noordzee bij hoogwater je openhartig, briesend als een leeuw tegemoet, aan deze kant sluipt het naar binnen. Ongemerkt. Het lijkt wel of het uit de grond opwelt. Ineens zijn de slenken en kreken en geulen volgelopen. Lijken de groenfluwelige kleiplaten op de ruggen van een kudde walvissen. Tot die ook verdwenen zijn. En dan gebeurt er iets heel geheimzinnigs en ook wel dreigends. Vooral als je hier alleen voor je tent zit. Dan komt er in de verte van links en loodrecht op de kust een wonderlijke branding die ontstaat door het water dat door de gaten tussen de eilanden naar binnen wordt gedreven. Een paar lange strepen wit schuimend water die zo snel lijken te gaan als een paard in volle galop.

Zaterdag zag ik op de kielplaat vlak voor de tent dat een bijna arendgrote mantelmeeuw een jonge scholekster greep die hij terwijl hij ermee wegvloog half naar binnen schrokte. Toen hikte hij hem weer op zodat het beestje uit zijn strot op de modder viel waar het verkreukeld bleef liggen spartelen. Toen dook de meeuw weer op hem, pikte hem op en slokte hem voor de ogen van zijn krijsende ouders naar binnen. Terwijl hij wegvloog, wreed en machtig, zag je het beestje nog in zijn strottehoofd bewegen.

[...]

maandag 17 juli 2017

Sal Santen -- 18 juli 1982

Sal Santen (1915-1998) was een Nederlands schrijver. In 1982 maakte Rudolf van den berg een documentaire over hem, die later dat jaar een Gouden Kalf zou krijgen. Santen hield over de periode waarin de film gemaakt werd een dagboek bij. Hieronder de laatste dag daarin.

18 juli We hebben vandaag in Hilversum de 'voorvertoning' van de film gezien, op de montagetafel, zoals Rudolf die wil uitwerken. Mijn eerste indruk? Wat een zonde, zoveel werk er voor niets is verricht. De Sneevliet-herdenking bijvoorbeeld is helemaal komen te vervallen. Niet ten onrechte, want alleen de vooroorlogse Sneevliet behoort bij het verhaal van mijn leven. Maar pijnlijk is het wel voor alle mensen die destijds in Westerveld zo hun best hebben gedaan, en verwachting zijn gaan koesteren.
Ook zelf kom ik er soms bekaaid af. De door mij in de cel voorgelezen fragmenten van brieven aan Bep komen in de film niet voor. En ook het graf van Saartje is weggelaten, arme Saartje, arme Sal.
Ben ik dan ontevreden?
Geenszins. Rudolf is erin geslaagd, een boeiend geheel te maken, dat ontroert.
Op één punt zoekt hij sensatie, en niet de eigenlijke persoon Sal Santen. Hij vraagt naar de bestemming van de zogenaamde valse Franse francs, het 'ondermijnen van de Franse economie'.
Die valse Franse francs hebben nooit het licht gezien, en dat was maar gelukkig ook, want de bestemming ervan heb ik altijd een slag in de lucht gevonden.
Maar wat moet je antwoorden op een dergelijke vraag? Het plaatst je in het centrum daar waar je niet het centrum was, en legt een verkeerde verantwoordelijkheid op je schouders.
Niet voor niets kreeg ik de maagzweer.
Een mogelijke ontmoeting met Michel [Raptis] droeg daar niet alléén schuld aan.
Ontmoeting met Michel. Het is niet doorgegaan, en toch heb ik hem nu op de film ontmoet.
Mijn indruk?
Op bepaalde gedeelten is hij dezelfde goede man van vroeger, op andere ogenblikken herken ik hem eenvoudig niet meer, dan heeft zijn blik iets sardonisch. Nog wel tegenover mij, die hem nu zelfs weer met de film heeft verrast.
Gelukkig is een dagboek geen roman, met zijn strenge eis dat er geen twee wezenlijke emoties door elkaar mogen lopen.
Want die andere emotie was mijn gevecht met Rudolf, die mij wel moest manipuleren in het belang van de film. Hij is helemaal met mijn intuïtie meegegaan, en dat pleit voor hem, al heeft hij het laatste woord.
Alleen wat die 'valse francs' betreft ben ik overrompeld.
Misschien ligt daar wel de zin van het boek van Jacob Israël de Haan, dat hij mij heeft beloofd zonder het te geven.
Uiteraard zonder bewuste opzet, want hij is geen slecht mens, integendeel.
Maar een halve moordaanslag is een dergelijke vraag wel, al is het alleen in mijn verbeelding zo.
En nu maar afwachten wat het verder wordt...

Sylvia Plath -- 17 juli 1958

Sylvia Plath (1932-1963) was een Amerikaanse dichteres, die ook een bekend dagboek bijhield. Het is in het Nederlands vertaald door Nelleke van Maaren. 

Donderdag, 17 juli 1958
Van Marianne Moore ontving ik, als antwoord op mijn gedichten & mijn verzoek of ik haar als referentie mocht gebruiken voor mijn aanvraag voor een Saxton-beurs, een merkwaardig dubbelzinnige en hatelijke brief. Zo hatelijk dat ik het bijna niet kan geloven: commentaren zonder duidelijke zin of betekenis die me in geen enkel opzicht helpen en waarin alleen een heel onaangename toon doorklinkt: 'niet zo huiveringwekkend', 'ik verjaag alleen de vliegen' (over mijn kerkhofgedicht), 'u bent te meedogenloos' (in 'Mussel Hunter'). En een paar pinnige opmerkingen over 'tikken is slavenwerk', dus ze stuurt de gedichten terug die we haar hadden gestuurd. Ik kan niet geloven dat ze alleen zo bits & zuur reageert omdat ik haar doorslagen heb gestuurd ('goed leesbaar', merkt ze op). Ik besef dat dit mijn grote & domme vergissing moet zijn geweest – doorslagen sturen aan de Grande Dame van de Amerikaanse Literatuur. Misschien heb ik daarmee mijn kans op een Saxton-beurs verspeeld.


De Amerikaanse dichteres Sylvia Plath (1932-1963) geeft in haar dagboeken blijk van grote ambitie, maar tegelijkertijd ook van grote twijfel aan eigen kunnen.