zondag 23 april 2017

Emma Thompson -- 24 april 1995

Emma Thompson (1959) is een Britse actrice. In 1995 hield ze een dagboek bij tijdens de opnames van Sense and Sensibility, een film naar het boek van Jane Austen, van regisseur Ang Lee.

MONDAY 24 APRIL: New location: the front room of Mrs Jennings's London house is being shot on the Flete Estate, in the owner's home. The rest of Mrs Jennings's house will be shot in Salisbury. Most locations on film are a composite of several buildings — it's rare to find everything you need in one place, and Ang is very particular about the dimensions, colour and light in a room.
Lunchtime. Long rehearsal with Imogen Stubbs as Lucy, in the scène where Edward comes in and finds her with Elinor. There are eighteen set-ups. (Each shot is referred to as a set-up. We tend to shoot anything up to ten takes on every set-up. The number of the take is written on the clapperboard, or 'slate', and sometimes a shot will.be called a slate.) It will take two days. Hugh won his Bafta for Four Weddings and was good in the scène. Bastard.
8.30 p.m. Home to Alston Hall. Raining. Soup, glass of wine. Very difficult scène and all a little tired but good concentration nonetheless. Four people in a room, each with entirely different motives and reactions to the same situation, requires a lot of coverage. Ang's taken to requesting what he calls 'smirks'.
'Endearing smirk, please' — which I find pretty tricky.
'Try rigorous smirk' — even trickier. I give it a go but end up going purple with the effort. Very little appetite.

TUESDAY 25 APRIL: Grey 6 a.m. We continue the scène. It's Hugh's close-up. After several takes, Ang said to Hugh, 'Now do it like a bad actor.' Hugh: 'That was the one I just did.'
[...]

Augustus Henry Irby -- 23 april 1860

Augustus Henry Irby (1808-1861) was een Britse legerofficier. Hij schreef The Diary of a Hunter from the Punjab to the Karakorum Mountains, over een tocht die hij maakte.

23rd April. To Chungir-ke-Serai—a long and tedious march, the path leading over rocks which hedge in the river, on turning an angle of which I overtook Abdoolah, who had preceded me with the breakfast things, standing gazing back in my direction. I told him it was not yet time for breakfast, supposing that to be his meaning, when he pointed upwards, and, suspended from the projecting limb of a tree, some little way up the hill shutting in the river, hung the still-mouldering body of a man, his lower limbs still in his clothes, the ghastly face denuded of flesh, yet with a matted felt of hair straggling here and there over the glistening bones, grinning horribly down upon us.

This wretch, it appeared, had in the most treacherous, barbarous, and cowardly manner murdered an old man and child, close to the spot where he expiated his crime. Being a sort of rural policeman in the employ of the Maharajah, he was armed with a sword, which, of course, excited no suspicion in his victims, whom he joined on the road as they journeyed from Nowshera, and ascertaining that they possessed a few rupees' worth of property, the miserable caitiff, yielding to the suggestions of the Tempter, cut them down, and threw their bodies into the river. Suspicions followed their disappearance: other circumstances pointed to this man, who was arrested, and confessing his guilt was executed where the bloody deed was committed.

I left this gloomy spot full of reflections of the most depressing nature: but with that rapidly revolving mental process, which so soon exchanges our train of thought, I was soon almost as though the repulsive object had not been met with.

I soon afterwards arrived at a pool, where I proposed stopping to breakfast, and also to fish, having in this pool, when passing last year, whilst occupying a seat on a rock overhanging it, observed some monstrous great fish basking; for it was a scorching hot day, and the sun at high meridian at the time.

I tried the 'atta' bait—merely paste made very adhesive—but without more than one or two nibbles which came to nothing: so knocked off and comforted the inner man. While so employed, came by a 'gent' riding, whom I saluted. I knew him to be in my rear, proceeding to join the Trig. survey party which was before me some days: asked him to dinner, and he accepted.

Arrived at Chungir-ke-Serai, an old Akbar serai, on the top of a hill overhanging the river—a fine view of the snowy range—the features of the country rough, but picturesque. I tried fishing again without success: enjoyed a cool swim: returned and had to wait about three-quarters of an hour for my guest, although he was close at hand, and I sent to him two or three times. But, lo! he at length appeared, got up rather considerably, quite abashing me, who was sitting in a flannel shirt and corresponding nethers. We had a pleasant chat together. He informed me that he had never been out of India, was born in the country, and educated at Landour, whence he was appointed direct to the Survey department. I do not know his name.

zaterdag 22 april 2017

Onno Bosma / Ella Vogelaar -- 22 april 2008

• Ella Vogelaar (1949) was in 2007-2008 Minister voor Wonen, Wijken en Integratie in het kabinet Balkenende IV. Met haar partner Onno Bosma hield ze een soort gezamenlijk dagboek bij, dat later gepubliceerd werd als Twintig maanden knettergek. Ze zal vooral herinnerd worden door haar akkefietje met Rutger Castricum van GeenStijl, zie hieronder.

DINSDAG 22 APRIL 2008 - (GeenStijl)
Het publieke oordeel over je ministerschap wordt snel negatiever. Dat Istha tegen jouw zin is benoemd ter ondersteuning van Jacqueline, sneeuwt helemaal onder. In NRC Handelsblad staat een cartoon in de serie Worst Kees Scenario's in de vorm van een nieuw blad Ella met op het omslag een 'door Istha verzorgde' make-over van je gezicht. Erg mooi gedaan, ik laat de plaat in de copyshop vergroten en hang hem ingelijst aan de muur. Mooi, maar ook tekenend voor de stand van zaken. Verder is er opwinding 'op de Haagse postzegel' (jouw woorden) over een filmpje van GeenStijl. Een ploeg van deze ordisite wachtte je vorige week op tijdens een bezoek aan een park in Utrecht. Je kreeg hatelijke vragen over Istha en koos ervoor geen antwoord meer te geven toen hij bleef doorzuigen, na een paar keer te hebben gezegd dat je geen spindoctor hebt. Je bleef daarbij onbewogen in de lens kijken. Niet op reageren, Lena. Dapper geprobeerd, maar het komt over alsof je helemaal dichtklapt en dus pakt het verkeerd uit. Je krijgt er veel kritiek op. Toen Muike gisteravond thuiskwam begon ze er meteen over: mensen op haar werk en haar zonen, beiden journalist, hadden bezorgd gebeld over 'hoe erg' dit was. Ik zei venijnig dat ik het helemaal niet over deze onzin wilde hebben. Toen ze volhield dat sites als deze tot de jeugdcultuur behoren en dat je je daar als minister mee moet verhouden - wat natuurlijk waar is - werd ik boos. Later hebben we het uitgepraat.

Tijdens de wijkbezoeken, gisteren in Eindhoven, valt er niets te merken van de scepsis: waardering alom. Maar je ervaart er ook hoe stroperig de relaties tussen de instanties zijn die de verbeteringen moeten realiseren. Jarenlang overlast van een groep jongeren, vier of vijf instellingen die het probleem kennen en niet in staat tot een effectieve aanpak. 'Iemand moet dan de kop nemen. En die ontbreekt dan.' Je zegt het vlak voor we inslapen. 'Ik kan dat natuurlijk niet zelf doen. Ik kan alleen maar zeggen dat het moet gebeuren.' Inderdaad El, de wereld is niet erg maakbaar, zelfs niet voor een minister. En dat besef kan zo nu en dan zwaar drukken.

donderdag 20 april 2017

Pitirim Sorokin -- 21 april 1917

Pitirim Sorokin (1889-1968) was een Russische (later Amerikaanse) socioloog. Selecties uit zijn dagboeken zijn in het Nederlands verschenen als Bladen uit een dagboek (vertaald door Tinke Davids).

 21 april 1917
Vandaag hebben we een echt voorproefje gekregen van wat de opstand van het gepeupel inhoudt. De nota van het ministerie van buitenlandse zaken waarin werd meegedeeld dat de Voorlopige Regering alle verdragen en verplichtingen van Rusland met de geallieerden gestand zou doen, werd fel aangevallen door de sovjets en door de Bolsjeviki, die hierin een verklaring zagen ten gunste van 'annexaties en brandschatting' en van oude imperialistische ambities. Voor ieder redelijk denkend mens is het absurd te spreken van 'annexaties' door een Rusland dat al halfdood is. De ware bedoeling van de aanval was natuurlijk de 'bourgeois'-regering ten val te brengen. Honderden propagandisten houden redevoeringen, overal in de stad, ze protesteren en roepen op tot demonstraties. Honderdduizenden proclamaties die vragen om opstand en het ontslag eisen van Miljoekov en andere 'kapitalistische' ministers, hangen in fabrieken, kantoren, kazernes en op de muren. Overal worden vergaderingen gehouden, in de open lucht en binnenshuis. Behalve bolsjevistische sprekers zijn er anderen die het beleid van de Regering verdedigen. Gewelddadige toespraken worden vaak gevolgd door vechtpartijen. Vandaag kwam omstreeks het middaguur het gerucht dat twee regimenten, in volle wapenrusting, uit hun kazernes waren vertrokken om de relschoppers bij te staan. Er werd geschoten. Overal plunderden misdadigers de winkels. Die situatie leek op die van de eerste dagen van de antitsaristische revolte, maar destijds waren burgers nog in staat geweest de massa onder controle te houden. Gisteravond laat zijn de relschoppers voor een tijdje verjaagd, maar hun doel hadden ze al bereikt. De Regering heeft meegedeeld dat Miljoekov wordt ontslagen. Dat betekent in feite dat de Regering is gevallen, want deze' eerste concessie aan het gepeupel en de Bolsjeviki is het begin van het einde van de Voorlopige Regering. "We leven allemaal op een vulkaan, en elk moment kan er een eruptie komen. Geen aangenaam idee, maar stap voor stap slagen we erin ons aan te passen. In elk geval is het hoogst interessant.
[...]

woensdag 19 april 2017

Alfred Kazin -- 20 april 1956

Alfred Kazin (1915-1998) was een Amerikaanse schrijver en criticus. Delen uit zijn dagboeken zijn gepubliceerd als Alfred Kazin's Journals.

April 20, 1956
The trouble with most critics is that they think like men in a corner; they can deal with a work only at close quarters, by commenting on what is put directly before them. If the art of criticism means anything, it means the gift of primary thinking, of originality, which puts a principle where we did not know one before; which establishes laws, which overhauls custom. [...] The greatest critics are either the primary philosophers of art, like Aristotle, or the wisest of craftsmen in dealing with their fellows, like Eliot, or the sages of life in general and of the artistic faculty in particular, like Johnson, or the innovators like Coleridge. The most useful of critics are the real kenners of fellows' work, like Matthew Arnold, those who hold a whole art in their hands and make you see all its possibilities in their pages. There are also entertaining critics (destroyers of a festering tradition) like Shaw; true spiritual critics or upholders, like Emerson or Lawrence .... But the greatest of critics are those who restore to us a conscious reason for liking what we like, for disliking what we (dis)like, who practice the art of judgment and analysis, the empirical arts of criticism and all the time lift this empirical work into universal significance, who connect it with systematic human knowledge.

dinsdag 18 april 2017

Henri-Frédéric Amiel -- 19 april 1881

Henri-Frédéric Amiel (1821–1881) was een Zwitserse filosoof, dichter en criticus. Uit: Amiel's Journal (vertaald door Mrs. Humphrey Ward).

Dit zijn de laatste notities uit Amiels dagboek. Hij overleed op 11 mei.

March 28, 1881.—I cannot work; I find it difficult to exist. One may be glad to let one’s friends spoil one for a few months; it is an experience which is good for us all; but afterward? How much better to make room for the living, the active, the productive.
“Tircis, voici le temps de prendre sa retraite.”
Is it that I care so much to go on living? I think not. It is health that I long for—freedom from suffering.

And this desire being vain, I can find no savor in anything else. Satiety. Lassitude. Renunciation. Abdication. “In your patience possess ye your souls.”

April 10, 1881. (Sunday).—Visit to ——. She read over to me letters of 1844 to 1845—letters of mine. So much promise to end in so meager a result! What creatures we are! I shall end like the Rhine, lost among the sands, and the hour is close by when my thread of water will have disappeared.

Afterward I had a little walk in the sunset. There was an effect of scattered rays and stormy clouds; a green haze envelops all the trees—
“Et tout renaît, et déjà l’aubépine A vu l’abeille accourir à ses fleurs,” —but to me it all seems strange already.
Later.—What dupes we are of our own desires!... Destiny has two ways of crushing us—by refusing our wishes and by fulfilling them. But he who only wills what God wills escapes both catastrophes. “All things work together for his good.”

April 14, 1881.—Frightful night; the fourteenth running, in which I have been consumed by sleeplessness....

April 15, 1881.—To-morrow is Good Friday, the festival of pain. I know what it is to spend days of anguish and nights of agony. Let me bear my cross humbly.... I have no more future. My duty is to satisfy the claims of the present, and to leave everything in order. Let me try to end well, seeing that to undertake and even to continue, are closed to me.

April 19, 1881.—A terrible sense of oppression. My flesh and my heart fail me.
“Que vivre est difficile, ô mon coeur fatigué!”

maandag 17 april 2017

A.F.Th. van der Heijden -- 18 april 1986

A.F.Th. van der Heijden (1951) is een Nederlandse schrijver. In Engelenplaque. Notities van alledag publiceerde hij dagboekfragmenten uit de periode 1966-2003.

Vrijdag 18 april 1986
Literatuur en geld – dat is een merkwaardig tweetal. Wat een schrijver ook verdient, het staat nooit, tenzij toevallig, in enige verhouding tot de geleverde prestatie. Het is meestal onevenredig weinig (een dubbeltje per werkuur, als je het zou uitrekenen), een doodenkele keer buiten proportie (in het geval van een onopzettelijk geschreven bestseller die tientallen jaren de persen in beweging blijft houden) en zelden – alweer: alleen bij toeval – redelijk. De schrijver van boeken blijft met het gevoel zitten dat werk en inkomen volledig langs elkaar heen gaan, niets met elkaar uitstaande hebben, behalve misschien waar het de verwervingskosten betreft. Dit kan leiden tot extreme gierigheid, maar ook, en dat is dan iets wat dichter bij mijn eigen ervaring ligt, tot spilzucht. Immers – en dan heb ik het over de spilzucht – anders dan mensen met een vast salaris hoeft een schrijver, wanneer er een honderdje over de toonbank gaat, nooit te verzuchten: ‘Daar heb ik nu een hele dag (of ochtend) voor moeten ploeteren.’ Hij weet eenvoudig niet hoe lang hij daarvoor heeft moeten ploeteren. Sterker, met zijn geploeter heeft dat honderdje niets te maken.
Ieder moet maar voor zichzelf uitmaken of een dergelijke (persoonlijke) ‘geldontwaarding’ in z’n voor- of in z’n nadeel werkt. Mij althans geeft het een gevoel van vrijheid, zij het een wat rillerig gevoel van vrijheid.
[...]