maandag 26 september 2016

Liz Jones -- 27 september 2008

• De Britse journaliste Liz Jones (1958) heeft een dagboekcolumn in The Daily Mail waarin ze over haar leven als alleenstaande vrouw schrijft.

In which I realise I don't really want a relationship
27 September 2008
Before I had a chance to pluck up courage to call M, I received another pen and ink letter, telling me he kept my photo on his chest of drawers.

Two things flashed through my mind.

First, the fact he had a chest of drawers. This is a good start. The EH* just had a large pile of festering clothes, mainly misshapen sportswear, he kept by the bedroom door. I had had a walk-in wardrobe built for him – it lit up when you opened the sliding doors – but he refused to use it.

The second thought was: he has a photo of me! I have to point out here I have a phobia about pictures of myself. I can never look at them.

The main obstacle to my getting married (apart from nagging doubts that my intended actually loved me, given that on our wedding eve he preferred to play pool with my maid of honour) was that I dreaded the wedding photos.

But, despite this phobia, I still had two from the hundreds on the contact sheets printed and framed and, until recently, when I feng shui-ed them and found they were blocking my love area, sitting on my desk.

The EH has not one wedding photo in his possession. He never once carried a picture of me in his wallet (he did, in his defence, have a head shot of Snoopy on his phone), although he did secrete a photo of FWD** in among his collection of two pence pieces.

Anyway, I know I have to let go of the past. Perhaps dating a man who ostensibly adores me is the way forward. But, to be honest, I don't really want a boyfriend. They are too annoying.

REASONS BOYFRIENDS ARE ANNOYING
● They use the bathroom sink. This is too upsetting for words. They leave watermarks on the taps. They rub away at the mirror to gaze at their own reflection.
● They invade your personal space. I hate this. They examine you at close quarters first thing in the morning.
● They are always opening the fridge door for absolutely no reason, which we all know is bad for the environment.
● They criticise you endlessly, saying, 'What is that?', and pointing at various bits of your disintegrating body.
● They ask endless personal questions, such as, 'When exactly were you born?'
● Whenever you ask them a simple question, they drag their eyes slowly from whatever they are reading or doing and look at you as if to say, 'Hmmm, what is it now?' It makes you want to stab them with a pen.
● They take their socks off while watching telly.
● They pretend they don't know how the timer on the central heating works; how to dismantle the fridge which they made dirty in the first place, and they mumble useless questions such as, 'Where do we keep the tea towels?'
● They never tell the cabbie your destination, leaving you to do it.
● When they move on to the next girlfriend they suddenly change their spots, paying for things and being all supportive.

Relationships are hell. Women only put up with them if a) they want large, heavy objects moved. My friend Jenni dated a hopeless man for six weeks just to get a pyramid of concrete moved from near her front doorstep.

Or b) they need sperm and then someone to blame for their dreary life. We do not have relationships for sex. Men only want sex with a woman who doesn't tell him off for not plumping the cushions.

I am not going to phone M. If a man wants to get near me, he is going to have to be exceptional.

I don't want another egotistical nightmare who thinks he can make me happy. Only I can make me happy.


*Ex-husband. **F***ing whore Daphne

Margo Vliegenthart -- 26 september 2000

Tijdens de Olympische Spelen van 2002 in Sydney hield zal staatssecretaris Margo Vliegenthart (1958) van Sport voor NRC Handelsblad een dagboek bij.

Dag 12 - dinsdag 26 september 2000
De kranten in Australie staan dagelijks vol van de Olympische Spelen. Wanneer Australiers goede prestaties leveren doen de media er nog een schepje bovenop. De Australian heeft vandaag eerst twee katernen over de Spelen en dan pas het andere nieuws. Uiteraard siert Cathy Freeman de voorpagina; de aboriginalvrouw die de 400 meter won, overigens nadat haar naaste concurrente, de Francaise Perec, Sydney en Australie halsoverkop had verlaten omdat ze door een indringster bedreigd zou zijn die haar voorbereiding wilde verstoren. Waar of niet, Perec woonde al een tijd in Sydney en had het moeilijk, want als ze 's morgens haar gordijnen van het appartement opende keek ze tegen een 50 meter hoge Cathy Freeman op de muur van een aanpalend kantoorpand aan… Een variant op Edgar Davids.

Freeman is dus big news. Een zeker ongemak over de verhouding met de aboriginals, de eerste bewoners van dit continent, zal daar niet vreemd aan zijn. Aboriginals voelen zich nog steeds achtergesteld en vinden dat leed uit het verleden onvoldoende erkend wordt. Juichen voor Cathy is ook een beetje de pet afnemen voor deze bevolkingsmindersheidsgroep, zonder het echt hoeven te zeggen. De 400 meter wordt hier ook wel de race van de nationale verzoening genoemd. Misschien hadden wij dat gevoel ook wel toen sporters als Orhan Delibas, Arnold Vanderlijde en Simon Tahamata zo goed presteerden.

Ander voorpaginanieuws is een stuk tragischer. Voor de tweede achtereenvolgende dag heeft een grote witte haai aan de kust van Zuid-Australie een badgast verslonden. Was het eerst de man van een stel op huwelijksreis die nog geen 50 meter uit de kust werd aangevallen en spoorloos raakte, nu onderging een 17-jarige surfer hetzelfde lot. Deskundigen zeggen dat het om twee haaien moet gaan omdat de plekken ruim 300 kilometer uit elkaar liggen en een haai hooguit 70 kilometer in een dag kan zwemmen. De herhaling is uniek: de laatste 40 jaar zijn er in Australie slechts acht dodelijke aanvallen geweest. De grote witte haai is overigens een beschermde diersoort; de regering waarschuwt vissers dat het verboden is op de beesten te jagen, ook al lopen de emoties hoog op.

Vanmorgen opnieuw de boot vanuit Sydney naar het Olympic Park genomen. Eerst nog even getrimd in de fitnessruimte. Dat geeft je wat meer weerstand op dit soort lange en zware dagen. Comfortabele verbinding, leuke boottocht. Ooit ontdekten de eerste kolonisten zo de binnenlanden van het nieuwe continent. We willen eerst naar het tennis en daarna naar het hockey. Het regent echter en de tenniswedstrijd wordt uitgesteld. We wachten in de Olympic Familylounge waar we op de TV de overwinning van de Nederlandse fietsploeg zien en vervolgens vieren. Het goud van Leontien is ook het goud voor de andere vrouwen want de ploeg heeft er hard voor gewerkt. Leontien kon zich lang rustig houden en zowel Chantal Beltman en in het laatste deel van de race vooral de jarige Mirjam Melchers trekken er keihard aan en Leontien maakt het heel sterk af. Die samenwerking in de Nederlandse dameswielrenploeg is wel eens anders geweest. Dat Leontien dat zelf ook beseft bleek 's avonds bij de huldiging, zij gaf haar collega's hun portie van de overwinning. Als de regen ophoudt en het tennis gaat beginnen, moeten we kiezen tussen Nederland-Pakistan bij het hockey en de halve finale in het damesdubbel bij het tennis. Er zit op dat moment nog weinig Hollands volk op de tribune en we denken dat de hockeyers er toch wel doorkomen. Het is dus niet moeilijk. We kiezen voor Kristie Boogert en Miriam Oremans, die het tegen een Russisch koppel moeten opnemen.

Boogert-Oremans vormen een goed koppel, maar de tegenstander ook. Eerst zien we nog de Williams-show; Venus en Serena tegen de Belgische speelsters Van Roost en Callens. De eerste game is meteen een break voor … de Belgen. Een verrassing op komst? Nee, de zusjes-Wiilliams zetten de turbo aan en winnen vlot: 6-4, 6-1.

Boogert en Oremans doen het heel goed; ze spelen geconcentreerd en agressief en heel constant. Het oranje plukje op de tribune, aanvankelijk klein, groeit gestaag; uiteindelijk zijn er zelfs zo'n 30 Nederlandse sporters die komen aanmoedigen. Fanatiek zijn de handboogschutters die een appartement delen met de tennissters en sindsdien tot de sterkste supporters behoren. Voor de sporters is dat een bijzonder aspect van de spelen, dat ze veel mensen ontmoeten buiten hun eigen tak van sport. Het is een echt team dat er staat.

De Nederlandse tennisters winnen met 6-4, 6-2. Ik heb er de hele wedstrijd in geloofd, maar toch zit je ze nuwachtig heen en weer te schuiven. In de finale wachten de zusjes Williams. Direct na afloop feliciteer ik de tennisters; twee gelouterde profs, maar nu heel erg blij met een zekere Olympische medaille. De pers vraagt alleen maar door over hun kansloze positie in die finale. Terecht geven de meiden zich nog niet gewonnen. Sport blijft tenslotte sport en niemand had ook verwacht dat ze de finale zouden halen.

Tijdens de tenniswedstrijd horen we een luid gejuich opstijgen uit het hockeystadion. We gaan ervan uit dat er meer Oranje op de tribune zit, dan Pakistani, maar dat blijkt een vergissing. 1-0 voor Pakistan blijkt uit een telefoontje van het Nederlandse kamp. Nederland moet minstens gelijk spelen om door te gaan naar de kruisfinales. Naast het tennis proberen we nu ook aan de hand van het geluid uit het andere stadion te volgen wat er gebeurt. Vlak voor het einde weer gejuich. We bellen zelf of het gelijk is geworden. Dat valt zwaar tegen. Het is 2-0 voor Pakistan en dat blijft het. Nederland lijkt uitgeschakeld, want de uitslag van de wedstrijd Engeland- Duitsland is weliswaar relevant, maar dat wordt toch vooral als theorie beschouwd. Sinds 1945 heeft Engeland niet meer van Duitsland gewonnen. De kroonprins vergezeld door Het Nederlandse legioen uit het hockeystadion schuift snel aan bij het slot van de wedstrijd van de tennisdames. Het eindigt dus met een mooi feestje.

Met de auto terug naar Sydney; snel omkleden want er wacht een gesprek in kleine kring met Hans Blankert, voorzitter NOC*NSF. Het gesprek gaat over de verdere ontwikkeling van het sportbeleid, en de maatschappelijke betekenis van de sport en de investeringen die daarvoor nodig zijn. Ook in de politiek leeft dat besef getuige de uitspraak bij de Algemene Beschouwingen dat er dit najaar als er ruimte is voor investeringen ook een plan voor de sport moet liggen. We maken afspraken zowel voor de korte termijn, als voor de ontwikkelingen op de lange termijn. Daarna naar een receptie van de hockeybond. Annemarie, die het hockey heeft gezien, heeft deze avond een "tradedinner", met bigshots uit het bedrijfsleven. Ze zal de zegeningen van de Australisch-Nederlandse samenwerking bezingen. Nederland is de vierde investeerder in Australie.

Bij de hockeybond is het als vanouds gezellig. Ik ken er veel mensen al heel wat langer, dus dan praat je niet als staatssecretaris, maar gewoon onder elkaar. Daarna neem ik met Rob de Vries en Jan Saeijs van mijn directie Sport nog even het programma van morgen door; het aantal wedstrijden neemt gestaag af maar ons programma niet omdat we nog zoveel ijzers in het vuur hebben. Volleybal, hockey, de dressuurploeg staat tweede, het Bonfire van de individuele wedstrijd komt nog, net als onze Nederlands-Georgische worstelaar; de zeilers zijn nog bezig en ook het wielrennen heeft nog twee wedstrijden bij de heren. En wie weet kan Leontien van Moorsel zich nog een keer opladen voor de tijdrit en ook aan het slotnummer, de marathon, nemen Nederlanders deel.

Naar het Holland house, waar Kleintje Pils de stemming er goed inbrengt. Terug in het hotel de email opengemaakt en ik zie dat er de volgende ochtend wat huiswerk gemaakt moet worden, want de voortgang bij de aanpak van de wachtlijsten kan niet wachten.

zondag 25 september 2016

Adèle Bloemendaal -- 25 september 1982

Adèle Bloemendaal (1933) is een Nederlandse actrice. Voor NRC Handelsblad hield ze in 1982 een 'Hollands Dagboek' bij.

Zaterdag
Een traag, sereen begin. Ik zet koffie voor mijn kind en zijn vriendin. In de keuken leert John mij reggaedansen op een plaat van Bob Marley. Ik verbaas mij over het gebrek aan variatie. John zegt: 'Dat komt omdat ze altijd zo stoned zijn als kamelen.' Hij vertrekt naar een training, ik naar Terneuzen, bofkont die ik ben. Boudewijn Spitzen, onze coördinator, rijdt mee en roept opgetogen: 'We zullen ze in Terneuzen teisteren met kwaliteit.' Boudewijn is een allitteratie-freak. Frans zegt: 'Het lijkt wel of heel Nederland continu bezig is zich te verplaatsen.' 'Als lemmingen,' zeg ik. Ik ben somber gestemd. Morgen moet ik praten met een notoire notaris die mij hopelijk enige schurkenstreken zal bijbrengen om mijn BV te leiden. De oprichting ervan bezie ik met enige huivering. Aber warum machen Sie denn das überhaupt, Frau Blumenthal? - Weil ich ein dumme trut bin. Je maakt een goed programma en wat is je straf? Een BV. Na Terneuzen sleep ik mij langzaam de trap op en word opgewacht door de jongeheer G. met spijs en drank. Tijdens het eten praten wij over journalistiek, Naipaul, kwaliteitskranten, Amerikaanse berichtgeving en de Newyorker. Wij vallen om zes uur in slaap.

zaterdag 24 september 2016

Menno ter Braak -- 24 september 1939

Menno ter Braak (1902-1940) was een Nederlandse schrijver. Na de Duitse inval in Polen (1 september 1939) hield hij een maand lang een journaal bij.

24 Sept.
Gisterenavond afscheid genomen van deze vacantie, die zoo schril contrasteerde met die van verleden jaar met de Gr.'s [Greshoffs] te Juan les Pins. Wandeling in den avond door Tiel, dat voor mij na twintig jaar nog altijd in de eerste plaats is de stad van ‘Ina Damman’; iedere hoek, iedere straat een ‘erotisch perspectief’, een stuk verwachting, teleurstelling, onzekerheid etc. Ik voel mij volwassen, maar ook oud, ver weg van dit alles, dit onnoozele, en toch vol verlangen om deze ‘mythe’ vast te houden, om nog iets te begrijpen van dit stuk leven. Dit was toch al na den vorigen oorlog...
Ik weet niet, of ik er nog toe zal komen in dit journaal te schrijven; ik moet weer schrijven voor de krant, ondanks den oorlog, over ‘kunst en letteren’. In ieder geval deed dit dagboek dienst om mij met de idee van een oorlog in Europa vertrouwd te maken. Men kan het ook afstompen noemen.
Vanmiddag wederzien met E. in Amsterdam.

donderdag 22 september 2016

Hans Fallada -- 23 september 1944

• De Duitse schrijver Hans Fallada (1893-1047) zat in 1944 enige tijd in de gevangenis wegens poging tot doodslag; in deze tijd schreef hij 'berichten uit de gevangenis, die zijn gepubliceerd in In meinem fremden Land (door Anne Folkertsma vertaald als In mijn vreemde land).

23-IX-44 - Op een dag in januari [1933] zaten mijn brave uitgever R.[owohlt] en ik 's avonds in Schuchters wijnlokaal in Berlijn aan een vrolijke dis. Onze wederhelften en een paar goede flessen Steinwijn hielden ons gezelschap. We waren, zoals het in de Schrift staat, vol goede wijn en deze keer was hij bij ons ook goed gevallen. Bij mij kon je daar niet altijd van op aan. Het was heel onvoorspelbaar welke uitwerking wijn op me had, meestal maakte hij me twistziek, betweterig en opschepperig. Maar die avond gebeurde dat niet en had hij me in een vrolijke, wat spotzieke bui gebracht, dus ik was het ideale gezelschap voor R., die onder invloed van alcohol altijd in een reusachtige, honderd kilo zware zuigeling verandert. Hij zat met een vuurrood gezicht aan tafel, terwijl de alcohol als het ware uit alle poriën van zijn lichaam leek te wasemen, een soort moloch, maar een tevreden, verzadigde moloch, terwijl ik mijn grappen en anekdotes ten beste gaf, waar zelfs mijn brave eega hartelijk om moest lachen, hoewel ze die verhaaltjes al minstens honderd keer had gehoord. R. had de toestand bereikt waarin zijn geweten hem weieens opdraagt ter vermaak van de gasten ook een duit in het zakje te doen: hij liet de kelner dan soms een sektglas brengen dat hij, op de steel na, stukje bij beetje met zijn tanden verbrijzelde en helemaal opat - zulks tot afschuw van de dames, die er niet over uit konden dat hij zich daarbij in het geheel niet sneed. Ik heb echter één keer meegemaakt dat R. bij deze haast kannibalistisch aandoende glasvreterij zijn meester vond. Hij liet een sektglas brengen en een stille, zachtmoedige heer uit het gezelschap deed het hem na. Rowohlt at het glas op, de heer ook. Rowohlt zei genietend: 'Zo! Dat heeft me goedgedaan!' Hij vouwde zijn handen op zijn buik en keek triomfantelijk in het rond toen de zachtmoedige heer hem aansprak. Hij wees op de kale glazen steel die voor R. stond. Verwijtend vroeg hij: 'En de steel eet u niet op, meneer Rowohlt? Die is nu juist het lekkerst!' Na deze woorden werkte de zachtmoedige heer hem onder onbedaarlijk gelach van het gezelschap naar binnen. R., die zijn triomf aan zijn neus voorbij zag gaan, was pisnijdig en heeft het zachtmoedige heerschap die nederlaag nooit vergeven!
[...]

woensdag 21 september 2016

Menno ter Braak -- 22 september 1939

Menno ter Braak (1902-1940) was een Nederlandse schrijver. Na de Duitse inval in Polen (1 september 1939) hield hij een maand lang een journaal bij.

22 Sept.
Het ongerijmde, in deze tijden, van instellingen als ‘vrijloten’ en ‘broederdienst’. Herinneringen aan een periode van niet-totalen oorlog, waarin ‘dienen’ toch eigenlijk een vorm van pech was. Door dezen totalen oorlog raken dergelijke opvattingen op den achtergrond, al blijven zij officieus bestaan (het ‘kankeren’). Zelfs degene, die pech heeft en nu gemobiliseerd is, zal waarschijnlijk iets van deze totaliteit begrijpen; zelfs de vrijgeloten en broederdienstigen voelen zich niet werkelijk vrij, niet gedekt door een moreelen vrijbrief. Het ‘totale’ vreet overal door. Teeken, dat het militaire ophoudt iets uitzonderlijks en afzonderlijks te zijn. Men kan het verachten en vervloeken, maar men kan niet terug naar dien uitzonderingstoestand, waarin de soldaat een pechvogel en een officier een idioot was. Officieren naderen den ‘stand’ van technici, verliezen langzamerhand de cavalerie-onnoozelheid.

Sterkste herinnering aan het uitbreken van den oorlog in 1914 vanmorgen herleefd bij een tochtje langs den dijk naar Ophemert. Daar woonde een visscher, Jeebe genaamd, van wien wij paling moesten meenemen naar Eibergen, toen wij in Tiel logeerden, Juli 1914. Dat heeft dieperen indruk op mij gemaakt dan de mobilisatie zelf; als ik dit huisje weer zie en den naam Jeebe hoor noemen, ruik ik de kindersfeer van 1914 weer. Paling is: spanning en vage angst. Zoo ontstaan de meeste herinneringen, althans bij mij. Muziek.

dinsdag 20 september 2016

Helene Siegfried -- 21 september 1918

• De Zwitserse Helene Siegfried (1886-1918) was aan het eind van de Eerste Wereldoorlog Rode Kruis-zuster in Duitsland, maar overleed al vrij snel aan de Spaanse griep. Fragmenten uit haar dagboek zijn destijds in het Nederlands vertaald.

21 September 1918.
Van morgen vroeg af zal ik in barak I werken, waarvoor ik van het begin af bestemd was. Het spijt mij van mijn eerste soldaten, die al zeer aan mij gehecht zijn, weg te gaan. Maar zoo is het nu eenmaal bij ons. Altijd wisselen. Ik voel weer zoo sterk hoe ik van dit beroep houd. Nu ik zoo goed uitgerust ben is het eenvoudig heerlijk weer te werken en is men eenmaal zelfstandig, dan is het iets heel anders als in het begin. Onder mekaar zijn we zeer vroolijk. We musiceeren en naast ons werk hebben wij ook plezier in het leven. 't Is niet te vergelijken met het ziekenhuisbedrijf. Men voelt zoo goed het onderscheid tusschen oorlogsverpleging en den ernstigen gewone dienst. Ik geniet er dubbel van bij het terugdenken aan vroeger, nu ook nog eens de mooie kant van het beroep mee te maken.

27 September 1918.
Nachtwaak op barak I en II, ieder met 40 man. 's Avonds bij de vorstin voor het souper gevraagd. Zeer interessante avond. Goede nacht met weinig arbeid.

29 September 1918.
[...] Het is hier werkelijk heerlijk. Alleen zusters, die iets kunnen, heelemaal geen hulppersoneel. Het eten is voor de tegenwoordige tijden buitengewoon goed. De vorstin is heel aardig voor mij. Met de hoofdverpleegster kan ik goed overweg, we zijn bijna vriendschappelijk. Wat kan men meer verlangen?

14 October 1918.
Veel werk, geen vrij uur. Pakket van huis. Veel brieven. (Voor mijn verjaardag, morgen den 15den). Alle zusters hebben de griep.

[Den 15den October, haar 23sten geboortedag, was Helene's laatste gezonde levensdag. 't Was nog een dag van onvermengde vreugde, waarop ze, gelukkig door de geschenken en brieven van huis, bedankte. ‘Pas goed op voor de griep mijn geliefd Vadertje,’ voegde ze erbij. ‘Hier heerscht ze heel erg. Mij gaat het nog steeds uitstekend, en ik pas er erg voor op.’
Spoedig daarna deden zich de kenteekenen der ziekte ook bij haar voor. Toch dwong ze zich nog twee dagen lang op den been te blijven, om de van het front aangekomen zwaargewonden te verzorgen. Want uit Berlijn kon men geen hulpkrachten krijgen en de koortsige lazaretzusters waren niet in staat iets te doen.
De derde morgen maakte een dubbelzijdige longontsteking ook aan haar werk een einde. De dokters en de Vorstin Donnersmark deden al het mogelijke om haar te redden. Te vergeefs. Den 25sten October, toen buiten het avondrood in de Marksche dennentoppen vergloeide, gaf zij den geest, hand in hand met haar vader, die haar nog slechts bewusteloos teruggezien had.]