maandag 15 januari 2018

Arthur Japin -- 16 januari 2004

Arthur Japin (1956) is een Nederlandse schrijver. Zijn dagboeken 2000-2007 zijn gepubliceerd als Zoals dat gaat met wonderen.

Januari 2004
Een aantal schrijvers windt zich en plein public enorm op over de vermenging van talen. Dat vinden ze zoiets heerlijks Henk van Woerden verklaart zich vreselijk kwaad te maken over het feit dat iemand heeft voorgesteld buitenlandse invloeden op het Nederlands te willen indammen. ‘Alle talen zouden juist met elkaar moeten mengen,’ roept hij, ‘hoe meer invloeden hoe liever. Nou ja... alleen niet de invloed van het Engels.’ Niemand vraagt waarom die ene taal dan juist niet, maar men beloont deze moedige stellingname met applaus. Ik kan niet ongezien weg, dus moet ik ook aanhoren hoe ze allemaal bezig zijn de juiste registers voor hun karakters te vinden: grappige woorden, typerende cadans, eigenaardige klanken. Dat houden ze allemaal in gedachte als ze een nieuw boek beginnen. Voor mij is dit de omgekeerde wereld. Ik wek karakters tot leven door me in hun plaats te stellen en daarna laten zij mij weten hoe ze spreken. Veel romanschrijvers nemen, alsof het dichters zijn, taal als vertrekpunt. Ik vertrek van heel ergens anders, een gevoel, een vraag, een beeld, en daarmee kom ik uiteindelijk bij de taal uit. Woorden zijn mijn doel. Daar ga ik op af. Deed ik het andersom en zou ik bij de taal beginnen, ik zou zeker verdwalen.

zondag 14 januari 2018

Eefje Jonker -- 15 januari 1936

• Schrijver Robert Anker (1946-2017) kreeg enkele jaren geleden de beschikking over een dagboek van een achternicht van wie hij niet wist dat ze überhaupt had bestaan. Als Eefje, zoals ze werd genoemd, in 1918 te horen krijgt dat ze een onecht kind is, begint ze haar dagboek, waarin ze met tussenpozen schrijft tot 1956. Het dagboek was zo openhartig, ontroerend, schokkend en goed geschreven dat Anker ervoor zorgde dat het werd uitgegeven. Want er gebeurt nogal wat in het leven van dit ogenschijnlijk eenvoudige meisje. In haar eigen woorden: 'Eerst vertellen je ouders dat je hun kind niet bent. Dan ontmoet je de liefste van je leven maar het is wel een vrouw en dat kan dus niet. Dan krijg je een kind dat je achterlaat als ze drie is. En dan spreek je in de trein een vrouw die je echte moeder blijkt te zijn.' Robert Anker bezorgde het dagboek van zijn tante en voorzag het van een uitvoerig nawoord. Er wordt hier en daar flink getwijfeld aan de echtheid van het dagboek.

Woensdag 15 januari 1936
Ik heb een kind gekregen. Een dochter. Heleen. Het is geboren op donderdag 18 oktober om half zes 's middags. De weeën waren verschrikkelijk maar met drie uur was het gepiept. Toen de baker het mormeltje voor mijn neus hield, dacht ik... niks. Een kind. Mijn kind. Schreeuwen en bloederig, nog met mij verbonden door de navelstreng. Maar toen ik een beetje bijgekomen was vond ik het heerlijk en toen het, kleertjes aan, in mijn armen lag, geluidjes maakte, toen was ik heel erg blij. Chris moest huilen, die stoere man en toen moest ik ook huilen en toen het kindje ook maar meteen. 'Heleen,' mompelde Chris, 'Heleen.' Dat vond ik tof van hem want hij had nogal wat bezwaren gemaakt tegen de naam. Toen we het er voor de geboorte over hadden, zei ik 'David' als het een jongen wordt. Chris schrok, hij wilde 'Dirk', naar zijn vader. 'Komt niks van in,' zei ik, 'we gaan hier niet ouderwets doen, met vernoemen en zo, ik wil een mooie naam en dat is David, dat vind ik al mijn hele leven.' 'Maar,' pruttelde hij, 'dat is toch een joodse naam?' 'O ja?' zei ik. 'En wat dan nog? Wat dacht je trouwens van "Eva", want zo heet ik natuurlijk, daar begint de hele Bijbel mee, ben je soms antisemiet, jij? Kijk eens wat er allemaal in Duitsland gebeurt, hè, met de joden.' Ik denk dat ik zo heftig reageerde omdat ik kort tevoren voor het eerst de stem van Hitler op de radio had gehoord en dat had me verbijsterd. Ik kon hem natuurlijk nauwelijks verstaan maar dat een politicus, de mensen die ons moeten regeren, dat zo iemand zo kan schreeuwen en tekeergaan en dat mensen achter zo iemand aanlopen, hun Führer, in plaats van zich om te draaien en de beschaving op te zoeken, daar begrijp ik niets van. Al die joden-wetten, die arme mensen, ik vind het echt afschuwelijk, en hier heb je ze ook, meneer Mussen en zijn trawanten. Nu ja, Chris zei niks meer maar ik ging nog even door. 'En als het een meisje wordt, en dat wordt het, dat voel ik, dan heet het Heleen.' 'Ik dacht Aaltje,' zei hij bedeesd. Aaltje, zijn grootmoeder. 'Ben je nou gek worren,' schreeuwde ik, 'Aaltje, Alie, ik kin dat mens geniesse!' Ik sprak in mijn opwinding West-Fries. 'Dat is wel de lelijkste naam die ik ooit heb gehoord, dat vergeeft dat kind ons later nooit. Het wordt Heleen, hoor je me, Heleen! Of weet jij wat beters?' Hij boog zijn hoofd, de lieverd, hij zei niets meer. 'Ze zijn trouwens dood alle twee,' smeet ik er nog eens achteraan, 'dus hun kan het niks schelen.' Ja, ik kan erg zijn. En ik ben het vaker, sinds de geboorte van Heleen, kribbig, snauwerig, arme man. En hij blijft maar lief en geduldig.

Het geboortekaartje heb ik zelf ontworpen, Chris moest lachen, dacht dat het een grapje was, zei toen 'maar dat kan toch niet,' en vond het later 'in ieder geval bijzonder'. Zijn moeder vond het bespottelijk. Ze bemoeit zich nooit ergens mee maar dat zei ze, 'onwois' zei ze. Je ziet een roze wiegje en daarboven hangt een blote baby aan een witte parachute met een wolkje erboven. 'Geland' wilde ik er eerst bij zetten en dan haar naam maar dat werd te gek, dat begreep ik ook wel. 'Wij zijn ontzettend blij met de geboorte van onze dochter Heleen.' Elsa aan de telefoon: 'Wat een fantastisch leuk kaartje! Maar weet je wat ik even dacht? Dat je christelijk was geworden.' Dat begreep ik niet. 'Het daalt toch uit de lucht, uit de hemel? Het komt toch uit de hemel?' Ik moest vreselijk lachen.

We hadden beschuit met muisjes en iedereen is langs geweest. Vader en moeder apetrots, Elsa en Fons natuurlijk, met de kleine David, helemaal uit de Betuwe. Ze zijn verhuisd. Ze moesten hun Jordaanse krot uit omdat het werd gesloopt en Fons wilde altijd al graag buiten wonen en toen konden ze een arbeidershuisje huren met een grote schuur, dat wordt hun atelier. Ik vind het heel erg, ja, zo ver weg. Hup, wie nog meer: oom Klaas en tante Marijtje, Jantien, helemaal uit Dieren, dat vond ik zo leuk! Heerlijk om haar weer eens te zien, geen spat veranderd, een beetje dikker nog. Wil ook graag een kindje maar dat lukt nog niet erg. Een kaartje van Nel, uit Polen. Nel is stepdanseres [tapdanseres] geworden en treedt overal op met haar man, Buster, een neger, 'creool' moet je geloof ik zeggen, een Engelsman. Een kaartje van meneer Van den Berg waarop staat 'teken haar maar snel'. Dat heb ik inmiddels al tien keer gedaan, ook met waterverf, heel teer. En een kaartje van Hans! Elsa had het hem verteld, die ziet hem nog wel eens. Expres een heel lelijk kaartje, met ingekleurde bloemen, maar lief, 'mag ik haar es zien?' Hij komt een keer met Elsa mee. Een kaartje van Elsa's ouders en van die van Jantien. Bloemen van de buren die ik inmiddels op de thee heb gehad, twee aan iedere kant en vier aan de overkant, dat zijn je buren (maar aan de overkant woont niemand). Zoef was ook blij toen ik Heleentje optilde en hij haar voor het eerst zag: hij jankte ingehouden, sprong half naar haar op, draaide rondjes om ons heen. 'Zal je haar altijd goed beschermen, Zoef?' Hij blafte twee keer bij wijze van antwoord.

Paul de Wispelaere -- 14 januari 1991

Het verkoolde alfabet. Dagboek 1990-1991 van de Vlaamse schrijver Paul de Wispelaere (1928-2016) volgt gedurende een jaar met een soort zigzag-beweging het leven van de auteur, die er allerlei episoden en gebeurtenissen uit de actualiteit en het verleden associatief met elkaar in verbindt.

Januari 1991
Nog maar net zijn we bekomen van het Van Goghjaar, met al die spektakels, de hele poespas van de reclame, de veilingen met hun fantastische bedragen, de Japanse en andere geldmagnaten, al dat carnavaleske gedoe: de T-shirts bedrukt met zonnebloemen, de zwembroeken bedrukt met aardappeleters, het Van Gogh-bier, de Van Gogh-condooms, enzovoort, of het Mozart-jaar is al aangebroken. Het kan werkelijk niet op.
Driekwart eeuw geleden, op 9 april 1914, publiceerde de jonge dichter Paul van Ostaijen zijn eerste stukje, Kunst van heden, in het Antwerpse blad Carolus. Het is nog brandend actueel:’[...] Wat hebben wij deze maand al niet over Van Gogh, in alle mogelijke en onmogelijke gazetten en tijdschriften gelezen? Alles is Van Gogh: het is het werk van Van Gogh langs hier, het leven van Van Gogh langs daar – le raté de génie, zegt gene pennewip, die onbeholpen kladder zegt een andere, en een derde komt, een snob of een artiest, of beter nog een artiest-snob, en die zegt: "Wat vertellen jullie? Jullie begrijpt geen jota van heel Van Gogh." Zoo hebben wij gelezen en gehoord over Van Gogh. Zonder den gulden middenweg te willen, durven wij toch zeggen dat het werk van Van Gogh zeker geweldig is, doch van eenen anderen kant door de tingeltangelreklaam wel wat overschat. En dat spijt ons voor den grooten kunstenaar; maar het staat nu eenmaal zoo geschreven, dat kunstrevolutie de aandacht van alle leegloopende en centenhebbende snobsen moet trekken.’

Susan Sontag -- 13 januari 1960

Reborn bevat (dagboek)notities van schrijfster Susan Sontag (1933-2004) uit de periode 1947-1963.

1/13/60
... It may take me five years to understand why I don't like to answer the telephone ...
... So many levels on which I understand the telephone knot . . . And contemporary language, with its facile vocabulary of self-analysis, helps me to continue to live on the surface of myself. I can say I am shy; or neurotic; or sensitive to the barbaric insult to privacy represented by the telephone. (This was Wolf Spitzer's theory chez Helen Lynd the other night when I raised the problem in a bottle to their eyes.)— I exclude as not even worth considering the "psy"-type insights such as "My mother made me use the telephone when I was two," "Black telephones are sexual symbols," etc.

Read Justin Martyr's dialogue with Rabbi Trypho — 2nd century A.D. (Christianity vs. Judaism)

Re-reading Anna Karenina

For several centuries B.C. some Greek temples were maintained as retreats, where the emotionally disturbed could recover in a calm + restful atmosphere ('milieu therapy')

zaterdag 13 januari 2018

Lord Byron -- 12 januari 1821

George Gordon Byron (1788–1824), beter bekend als Lord Byron, was een Engels schrijver en dichter. Byrons reputatie berust niet alleen op zijn geschriften, maar ook op zijn leven vol aristocratische excessen, enorme schulden en talrijke liefdesaffaires. Lady Caroline Lamb noemde hem "mad, bad, and dangerous to know". Zijn brieven en dagboeken zijn integraal gepubliceerd.  De Nederlandse vertaling verscheen in Brieven en dagboeken (vertaald door Joop van Helmond).

12 op 13 januari 1821
Ik moet echter vooropstellen dat ik niets heb gelezen van Adolph Müllner (de schrijver van Die Schuld) en veel minder van Goethe en Schiller en Wieland dan ik zou willen. Ik ken ze alleen door middel van Engelse, Franse en Italiaanse vertalingen. Van de oorspronkelijke taal weet ik hoegenaamd niets, – alleen vloeken die ik heb opgepikt van postkoetsiers en officieren tijdens ruzies. Ik kan krachtig in het Duits vloeken als ik dat wil – ‘Sacrament-Verfluchter-Hundsfott’ – en zo voort; maar ik beheers weinig van hun minder verhitte gesprekken.
Overigens houd ik wel van hun vrouwen, (ik ben eens wanhopig verliefd geweest op een Duitse vrouw die Constance heette,) en van alles wat ik vertaald van hun literatuur heb gelezen, en alles wat ik op de Rijn van hun land en volk heb gezien – alles, behalve de Oostenrijkers, die ik veracht, van wie ik walg en – ik kan geen woorden vinden voor mijn haat en ik zou het betreuren daden tegen te komen die in overeenstemming zijn met mijn haat; want ik verafschuw wreedheid meer nog dan ik de Oostenrijkers verafschuw – behalve in een opwelling, want dan ben ik gruwelijk – maar niet met opzet.
Grillparzer is geweldig – antiek – niet zo kinderlijk als de klassieken, maar zeer eenvoudig voor een eigentijdse schrijver – ook zo af en toe à la Madame de Staël – maar al met al een groot en uitstekend schrijver.

woensdag 10 januari 2018

Arnold Bennett -- 11 januari 1918

Arnold Bennett (1867-1931) was een (destijds bekende) Britse schrijver. Zijn dagboeken staan hier online.

Comarques, Friday, January 11th.
Marguerite bought a pig at the end of the year. It was a small one, but we have been eating this damned animal ever since, in all forms except ham, which has not yet arrived. Brawn every moming for breakfast. Yesterday I struck at pig's feet for lunch, and had mutton instead. They are neither satisfying nor digestible, and one of the biggest frauds that ever came out of kitchens. All this is a war measure, and justifiable. I now no longer care whether I have sugar in my tea or not. We each have our receptacle containing the week's sugar, and use it how we like. It follows us about, wherever we happen to be taking anything that is likely to need sugar. My natural prudence makes me more sparing of mine than I need be. Another effect of war is that there is a difficulty in getting stamped envelopes at the P.O. [Post Office] The other day the postmaster by a great effort and as a proof of his goodwill, got me £1 worth, which won't go far.
It occurred to me how the war must affect men of 70, who have nothing to look forward to. The war has ruined their ends, and they cannot have much hope.

Comarques, Sunday, January 13th.
I outlined in the bath this morning an idea of a play about a man being offered a title and his wife insisting on his accepting it against his will. Spender told me that such a man had once asked him for advice in just such a problem, and he had advised the man to suppress his scruples and accept the title. Ross said that this would be a good idea for a play, and it is.

dinsdag 9 januari 2018

Frida Vogels -- 10 januari 1964

Frida Vogels (1930) is een Nederlandse schrijfster. Haar door kritiek en publiek gewaardeerde dagboeken 1954-1971 zijn gepubliceerd in 8 delen.

9 jan. - Mijn vierendertigste verjaardag.
We hebben weer een poes. Het is een volwassen poes en ik denk niet dat we een ander tehuis voor hem zullen vinden, noch zoeken. Toen E. gisteravond naar huis liep, zat hij mauwend op een muurtje. Een halfuur later ging E. naar hem toe met kattebrood. Hij zat er nog, maar at niet. E. ging kaas voor hem kopen. Toen hij terugkwam, was de poes weg. 's Avonds gingen we samen nog eens kijken, maar hij was er niet meer. Ik zei 'misschien is hij voor de nacht in een kelder gekropen' (er zijn in dat straatje veel keldergaten), 'ik zal morgenochtend nog eens gaan kijken'. Vanmorgen zat hij er weer, op dezelfde plaats waar E. hem gezien had, rillend van de kou en zwart van kolengruis. (Het is een wit met grijze poes.) Ik had lever voor hem meegebracht. Ik gaf hem een paar stukjes en pakte hem daarna op om hem mee te nemen. Hij Het zich dat zonder veel protest welgevallen, deed maar één keer een ernstige poging om te ontsnappen. Toen we de trap op klommen, begon hij hevig te mauwen. We kwamen mevrouw Gandolfi tegen, die glimlachte. Thuisgekomen gaf ik hem nog wat lever, in het groene bakje dat voor het vorige poesje heeft gediend (het eerste heeft al zijn benodigdheden als uitzet meegekregen). Daarna ging hij meteen liggen, in de doos met de halve fluwelen broek van mij waarin het vorige poesje niet geslapen heeft, want die verkoos de doos met oude kranten onder het aanrecht.

10 jan. - Het poesje dat we van de zomer gevonden hebben en waarvoor E. via een meisje op kantoor een huis had gevonden, is dood. Het heeft tyfus gehad.