zondag 19 november 2017

Koos van Zomeren -- 20 november 2004

Koos van Zomeren (1946) is een Nederlandse schrijver. In Nog in morgens gemeten werkt hij dagboekaantekeningen uit 2003/2004 uit.

17 november Neerlandistiek in Oldenburg. Als we Duits spreken is het 'Sie' en betrekkelijk formeel. Als we overgaan op Nederlands is het meteen 'je' en 'jij' en heel ontspannen. Buitengewoon hartelijke en attente mensen, die spitsvondige en naar het ondeugende neigende grapjes maken. Na verloop van tijd realiseer je je dat ze Nederlands zijn gaan doen omdat ze denken dat Nederland leuk is. Wat een pijnlijk misverstand. De schijn ophouden.

20 november Gisteravond - tv uit, bosuil aan. Zijn roep in de bosrand. Toen we op het balkon gingen staan, hoorden we dat er een bosuil was én een bosuil die hem van repliek diende, een tweestemmig rommeltje.
Vanmorgen-natte sneeuw, witte veldjes in de volkstuintjes in Klarenbeek.
Zo verloopt hier de herfst en ik vraag me steeds af hoe hij op Herwijnen verloopt. In de vluchtige beelden van het dorp die me steeds voor de geest komen, is het nog volop zomer. Het uitzicht vanaf de dijk over de Diepe Put, de ligging van de uiterwaarden tussen d'n Oven en d'n Hoek enz. Tegelijkertijd het besef dat je daar niets te zoeken hebt, tenzij je er toevallig woont (wat in juli twee weken het geval was) of werkt (idem).

21 november Milan Kundera (in Onwetendheid): '(...) overdag zag ze voortdurend landschappen van haar geboortestreek voor zich opdoemen. Nee, het was geen lange, bewuste, opzettelijk opgeroepen dagdroom, het was iets heel anders: visioenen van landschappen lichtten plotseling, abrupt, razendsnel op in haar hoofd, om meteen weer uit te doven. Ze praatte met haar baas en ineens, als een bliksem, zag ze een paadje tussen de velden. Ze werd heen en weer geduwd in een metrowagen en plotseling dook er gedurende een fractie van een seconde een laantje in een groene wijk in Praag in haar op. De hele dag bezochten die vluchtige beelden haar om het gemis van haar verloren Bohemen te verzachten.'


zaterdag 18 november 2017

Constantijn Huygens jr. -- 19 november 1689

Constantijn Huygens jr. (1628-1697) was een Nederlandse staatsman. Hij was daarnaast bekend om zijn werk aan wetenschappelijke instrumenten en als kroniekschrijver van zijn tijd.

19 Saterd.
Hoorde 't gepasseerde tusschen Capn Welderen van̅ garde en̅ Milord Pawlet, soon van Myl. Bolton, hebbende den laetsten, naer dat heel droncken zijnde, tot de vr. v. 's Gravemr, gequerelleert [ruzie gemaakt] had met de Hr van Ruyven, soon van̅ Hr van Sterrenburg, eyndelijck sonder eenighe reden, een soufflet [muilpeer] gaf aen Welderen, daerdoor hij seer veel bloets verloor uyt sijn neus, en̅ wierdt noch gearresteert, den anderen daervan exemt [onschendbaar] zijnde, als een member van 't Parlament.

Willem Pieterse Poort -- 18 november 1710

• Willem Pieterse Poort (?-?) schreef Het Journaal en Daghregister van Dirk Jacobsz. Tayses Avontuurelyke Reyse na Groenlandt, gedaen met het Schip Den Dam, in ’'t Jaar 1710 (uitgave 1711).

Den 18 dito waeyden 't sulcken vliegenden Tempeest dat Heemel en Aerden soo men dan seght scheenen aen malkander te zijn, na de middagh nam de windt een weynigh af, savonts in de eerste waght begon 't weer soo sterck te waeyen als ooyt, in de hondewaght nam de windt af en liep n. w. halsden om, setten onse Fock en groot Zeyl by, en namen onse coers z. ten w. kort daer na nam de windt soo sterck aen, dat wy onse Schooverzeyl moesten vast maecken, liepen doe voor een Fock ter lens met een vervaerlijcke windt.

Den 19 dito smorgens nam de Windt af, setten onse Schoover-zeyl by: in de voormiddagh deelden wy onse laetste Broot, dat omtrent vier Beschuyten voor yder Man bedroegh, smiddaghs sagen wy de Zuydt-hoeck van Stadt, en 3 Eylanden daer besuyden, dat is Ornael, Olde en Kien altemael hoogh lant, dogh altemael Eylanden: Olde dat ist zuydelijckste, leggende op de aerdkloots breete van 61 graden 16 breete en 19 graden 12 minuten lengte. Dit Eyland Olde hadden wy z. o. ten o. van ons omtrent 7 mijlen: Nu setten wy onse Groot Marszeyl by en kort daer na ons Voor Marszeyl meede: savonts de wint west-zuyd west, de coers zuydelijk, snagts liep de wint zuydelijk, leyden 't doe over staeg, de coers w. z. w., namen onse Marszeyls in, met reegen.

donderdag 16 november 2017

Hidde Dirks Kat -- 17 november 1777

Hidde Dirks Kat (1747-1824) was een nederlandse walvisvaarder die in 1777 schipbreuk leed bij Groenland. Zijn ervaringen tijdens deze schipbreuk en de vele ontberingen die hij moest doorstaan tijdens de hierop volgende overlevingstocht, heeft Kat opgetekend in een dagboek.

Den 17 November. Ik wist de Wilden in dien tijd te beduiden, dat zij tabak voor mij moesten halen; vermits ik wist, dat er, het zij van nabij, het zij op eenen verren afstand, Christenen op deze kusten moesten wonen. Op sterk aanstaan besloten zij eindelijk hiertoe en namen de moeijelijke reis met hunne snel varende schuitjes aan. Zij gaven mij te verstaan, dat ik schrijven moest. Ik gebruikte daartoe een wit Robbevel en schreef daarop mijnen naam, met vermelding van mijnen toestand, met Robbenbloed.
Ik gaf aan de aanzienlijksten in huis mijn horologie, voorzien zijnde van eene gedreven kas, waarop zij zeer gesteld schenen, tot een geschenk. Hierop gingen zij naar de volkplanting op reis.
Heden ontving ik eenen brief van mijnen Stuurman, die mij meldde, dat Kommandeur MARTEN JANZEN en JELDERT JANS DE GROOT bij hem waren geweest. Zij waren gelukkig om Kaap Vaarwel met twee vrouwe-booten heengekomen.
Doordien de Wilden met deze snelvarende schuitjes in den tijd van 12 uren 20 mijlen kunnen afroeijen, zoo kan men daaruit opmaken, welk een eind weegs zij konden afgelegd hebben, toen zij, na een tijdsbestek van drie dagen, weder terugkwamen. Zij lieten volstrekt niet blijken, dat zij iets voor ons hadden en droegen hunne schuitjes naar hunne woning, waaruit zij mij, uit het achtereinde, eenen brief, benevens pennen, inkt, papier en tabak overreikten. Dit alles kwam van eenen Hernhutter met name JAN SIBRANDS. Het lezen van den Hoogduitschen brief, die door een' Christen geschreven was, veroorzaakte ons groote blijdschap. Dezelve is naauwelijks te beschrijven. Bij dien brief ontvingen wij tevens vierentwintig Eendvogels, die ons grootelijks verkwikten. Doch, wegens gebrek aan zout, waren dezelve min smakelijk. Wij namen daarvoor in plaats Robbenbloed met zout water gekookt, hetgeen ons echter in 't geheel niet voldeed.
De brief van den Duitschen broeder behelsde, dat wij ons onder goede Wilden bevonden; hebbende zij last gegeven aan dezelve, om ons, wanneer de gelegenheid gunstig was, bij hem te brengen. Uit hoofde van slecht weêr en harde vorst bleven wij, na de ontvangst van dien brief, er nog tot den 19 October (No 28.) wanneer wij in den ochtendstond, bij goed weder, met eene vrouwen-boot, onder het geleide van verscheidene mannen en vrouwen, die deels in onze boot, deels in afzonderlijke schuitjes nevens ons roeiden, vertrokken. Des avonds waren wij bijna dood gevroren. Wij kwamen echter in den nacht bij andere Wilden om de Noord behouden aan land. Een der Wilden gaf ons te verstaan, dat hij een Christen was, met name LODEWIJK. Hij bragt ons in den nacht in zijn huis, zijnde hetzelve van het vroeger omschreven maaksel. In dit huis woonden verscheidene huisgezinnen. Ik beschouwde dit alles met verwondering. Aan een' pilaar, waarop het huisdak rustte, zag ik onder andere Duitsche zaken een vaderlandsch spiegeltje. Dit verrukte ons ten hoogste. Het huis verder in oogenschijn nemende vond ik voorts, aan denzelfden pilaar, maar tot mijne droefheid, eene Hoogduitsche Courant. Een mijner vier mannen dezelve lezende vernam ik daaruit, tot mijn innig leedwezen, dat mijn zwager, Kapitein KORNELIS HIDDES, van Amsterdam uitgevaren naar de Middellandsche Zee, door den Turk genomen, en te Larassy in Turkije opgebragt was. Dit verdubbelde mijne smart. Kort daarna kwam de Duitsche broeder JAN SIBRANDS bij mij in huis en verwelkomde mij met groote liefde. Hij nam mij mede naar zijn huis, dat, gelijk hier te lande, van steenen gebouwd was, doch klein, bevattende drie vertrekken. Zijne vrouw reinigde mij van het ongedierte en gaf mij een schoon hemd, dat mij zeer verkwikte. Hier waren drie Duitsche Hernhutters, van welke twee gehuwd waren, hebbende één kind. Wie zal zich een duidelijk begrip vormen van de streelende gewaarwording, welke mijn afgemat ligchaam nu alreede te beurt viel! Dit is in waarheid onbeschrijfelijk. – Eerst verwelkomden zij mij met een glaasje liqueur, daarna in den nacht met melkspijs, welke wij met zilveren lepels aten – vervolgens sliep ik op een zacht bed van veren. – Ach! hoeveel dankbaarheid gevoelde ik wegens dat alles jegens den goeden barmhartigen God, die ons tot dus verre door zijne genade geleid had. Ik genoot dezen nacht goede rust.

woensdag 15 november 2017

Rutger Kopland -- 16 november 1996

Rutger Kopland (1934-2012) was een Nederlandse dichter en hoogleraar. In 1996 gaf hij na zijn emeritaat colleges over poëzie in enige Oost-Europese landen. Hij hield over die periode een dagboek bij dat is gepubliceerd als Jonge sla in het Oosten. Het onderstaande fragment beschrijft de allerlaatste dag.

16 november 1996
Onze laatste dag. Niets te doen. We gaan naar Krakau. Niet naar het daar dichtbijgelegen Auschwitz. Niet omdat wij 'het' niet willen weten, maar omdat wij 'het' wel weten. Wie het nog niet weet zal er daar ook niet achterkomen. Liever gaan we naar de ongeschonden stad Krakau, waar de nazi's de tijd niet gehad hebben om haar te verwoesten. De plannen lagen keurig klaar, maar de Russen kwamen net iets te vroeg. En Warschau, die grootschalige socialistische treurnis in de motregen en de oostenwind is weinig aantrekkelijk.
De trein voert ons door een landschap dat het midden houdt tussen Twente en Drente, maar dan Twente en Drente uit mijn jeugd. Er wordt nog geploegd met dezelfde dikke paarden als toen, de weggetjes zijn nog van zand, de boerderijtjes nog geen tweede woning. Hier en daar lopen bolronde, gehoofddoekte, gelaarsde, wollige vrouwtjes met koeien over de winterse velden. In de buurt van Krakau begint het landschap de romantische trekken van Zuid-Limburg te vertonen, aangename huizen met prettige moestuinen. Tenslotte echter verdwijnt de landelijkheid langzaam maar zeker in het troosteloze industriële park met oudroest dat ik in die landen inmiddels gewend ben. We zijn er.
Maar wat een stad. De zon schijnt voorzichtig door de licht nevelige lucht, alsof zelfs het licht hier middeleeuws is. Wat doe je zo'n dagje loopt wat rond, drinkt een pilsje op een terras, vertelt elkaar wat je nu eigenlijk van het leven vindt, voelt je wat melancholiek omdat het zo plezierig is ' en eigenlijk al is geweest bijna, het is al bijna die mooie verleden tijd waarin je leeft en je koopt een cadeautje voor thuis. Gewoon normaal.
Terug in Warschau kiezen we voor het duurste restaurant aan de Markt in de oude stad. De portretten in het portaal voor het restaurant tonen wie hier ooit hebben gegeten: Kohl, Mitterand, Doris Day en vele, vele anderen. Hier moeten wij dus zijn. Bij een Schubert strijkend strijkje, met mooie wijnen en een flink bord Pilzen Groszmutter Art nemen we afscheid van deze reis.

17 november 1996
Warschau—Schiphol. Lijkwitte kip met oude sla.

dinsdag 14 november 2017

Miriam Wattenberg -- 15 november 1940

Miriam Wattenberg was een Joods meisje dat in 1940 in het getto in Warschau terechtkwam. Dankzij de Amerikaanse nationaliteit van haar moeder kon ze in 1944 naar de Verenigde Staten vertrekken, waarna ze haar naam veranderde in Mary Berg. Ze hield een dagboek bij van 1939-1944, dat na de oorlog gepubliceerd werd. Het fragment hieronder gaat over de oprichting van het getto in Warschau.

November 15, 1940
Today the Jewish ghetto was officially established. Jews are forbidden to move outside the boimdaries fonned by certain streets. There is considerable commotion. Our people are hurrying about nervously in the streets, whispering various rumors, one more fantastic than the otlier. Work on the walls—which wil] be three yards high—has already begun. Jewish masons, supervised by Nazi soldicrs, are laving bricks upon bricks. Those who do not work fast enough are lashed by the overseers. It makes me think of the Biblical descriplion of our slavery in Egypl. But where is ihe Moses who will release us from our new bondage?
There are German sentries at the end of those streets in which the traffic has not been stopped completely. Germans and Poles are allowed to enter the isolated quarter, but they must not carry any parcels. The specter of starvation looms up before us all.

November 20, 1940
The streets are empty. Extraordinary meetings are taking place in every house. The tension is terrific. Some people demand that a protest be organized. This is the voice of the youth; our elders consider this a dangerous idea. We are cut off from the world. There are no radios, no telephones, no newspapers. Only the hospitals and Polish police stations situaled inside the ghelto are allowed to have telephones. The Jews who have been living on the Aryan side of the city were told to move out before November 12. Many waited until the last moment, because they hoped that the Germans, by means of protests or bribcs, might be induced to countermand the decree establishing the ghetto. But as this did not come to pass, many of our people were forced to leave their beautifully furnished apartments at a moment's notice, and they arrived in the ghetto carrying only a few bundies in their hands.
Christian firms within the limits of the isolated Jewish quarter are allowed to remain temporarily if they have been there for at least twenty-five years. Many Polish and German factories are situaled within the ghelto, and ihanks lo their employees we have a little contact witb the outer world,

November 22, 1940
The ghetto has been isolated for a whole week. The red-brick walls at the end of the ghetto streets have grown considerably higher. üur miserable settlement hums like a beehive. In the homes and in the courtyards, wherever the ears of the Gestapo do not reach, people nervously discuss the Nazis' real aims in isolating the Jewish quarter. How shall we get provisions? Who will maintain order? Perhaps it will really be better, and perhaps we will be left in peace?
This afternoon all the members of our LZA group gathered at my home. We sat in a stupor and did not know what to undertake. Now all our efforts are useless. Who cares for the theater these days? Everyone is brooding over one thing and one thing only: the ghetto.

maandag 13 november 2017

Anneke Bosman -- 14 november 1944

• De Nederlandse Anneke Bosman zat in de oorlog in een interneringskamp in Indonesië. Ze hield in die periode (en daarna) een dagboek bij. Het fragment hieronder is geschreven dag nadat ze naar een ander kamp was overgebracht.

14-11-1944
We hadden nog geen bultzakken, klamboes of dekens, maar we hebben als blokken geslapen. We sliepen op onze jassen en mam samen met Woutertje op een kleine bultzak van tante Aaf (mevrouw Graafstal). Vanmiddag kwamen de bultzakken binnen, alles door elkaar. Eindelijk vonden we na een hele poos zoeken drie van de vier terug. Wat zullen we heerlijk slapen! Dat is tenminste wat beters dan de grond in de trein, waar je gekronkeld tussen vele benen door moest liggen. Onze buren zijn mevrouw Leefers met Hansje en Bubi en aan de andere kant mevrouw Beckman met haar zoontje Bernie. Dat arme jongetje heeft lang blond haar, want zijn moeder vindt het jammer dat af te knippen, voordat zijn vader het gezien heeft. Verder is ze erg aardig.
Ik ben vanmorgen al onze vuile kleren gaan wassen in het washok. Dat is een grote kamer met ingebouwde waterbakken aan weerskanten en in het midden een grote stenen tafel om op te boenen. Gelukkig konden we de teil van tante Aaf lenen, want onze emmers zijn nog steeds niet binnen.
Dit kamp was eigenlijk een ziekenhuis. Nu zijn er grote barakken bij gebouwd en bestaat het uit twee delen: het Solokamp en het Boemikamp, onder verdeeld in 31 blokken. Weet je wie ik hier ook weer terugzag? Tineke Fokkinga. Ze is erg mager geworden. We vonden het zo leuk elkaar weer te ontmoeten en veel Lyceumdingen op te halen. Er worden hier in het kamp geen lessen gegeven. Alleen kinderen van 3-6 jaar mogen naar een schooltje. Dat is jammer, maar we zijn van plan zelf verder te gaan en mam zal ons dan helpen. Nu hebben we er nog geen fut voor, want we zijn nog allemaal erg moe en slap. Roelie maakt het gelukkig goed.

15-11-1944
Vandaag zijn onze koffers binnen gekomen, maar eerst zijn ze bij de poort helemaal doorzocht. De Jappen en de Kleponners [Indische soldaten in Japanse dienst] haalden er van alles uit, vooral ook kaarsen en lucifers. Van ons ook het mooie potlodenétui van Heleen en van Paul wat loden soldaatjes en vliegtuigjes. Eén dame had een kilo spek in haar koffer. De Jap vroeg haar bars: “Dari mana?” ['Waar komt dat vandaan?'] Ze antwoordde vrolijk: “Dari gedèk” ['Van buiten'(?)]. Toen moest hij ook lachen en na haar een poos te hebben laten wachten, tekende hij haar koffer toch af.
Eén van de Kleponners sneed een knot wol door, waar hij iets hards in voelde. Het was ..... een leeg klosje! In de loods hebben we de koffers meteen uitgepakt. Boven de britsen hebben we een plank, waar we van alles op kunnen leggen. De koffers zelf gaan onder de britsen. Heleen en Paul hebben het in de buik en krijgen nu een week nassi-tim. Die is hier uitstekend, altijd met worteltjes en bouillon erin. Woutertje krijgt dat ook maar dan gezeefd.
's Morgens om 8 uur en 's avonds om 9 uur is er appèl en om 10 uur gaat het licht uit. Dus net als bij de mannen. We hebben geboft, want we hebben een plaatsje net onder een lamp.

16-11-1944 Donderdag. Vanmorgen kregen we onze klamboes, dekens en emmer. We hebben gelukkig nog weinig last van muskieten gehad.
Woutertje was vandaag erg lastig tot mam hem ten einde raad met een touw aan één van de palen vastbond, zo dat hij toch nog wat lopen en spelen kon. Hij vond het vreselijk. We missen zijn box toch zo. Alle jongens boven de 6 jaar zijn hier kaal ge knipt en vanmorgen zijn ook die van onze loods onder handen genomen. Paul vond het verschrikkelijk. Eerst heeft hij een hele tijd met zijn hoofd onder zijn kussen gezeten, want hij durfde zich niet te laten zien. Maar het troostte hem wel, toen we zeiden, dat pappie en Friso nu waarschijnlijk ook kaal waren. Hij ziet er nu wel zielig uit.
Alle mensen moeten hier officieel 6 uur kampdienst verrichten, maar haast niemand doet het. Riet Lips en ik hebben tot kamptaak de rijst- en soepteilen af te wassen, als het eten uitgedeeld is. We voelen ons allemaal nog erg loom en tollen 's avonds ons bed in.